Uit nieuw onderzoek blijkt dat het vaccineren van honden en katten op 6 maanden effectiever kan zijn dan op 1 jaar leeftijd. De WSAVA heeft daarom nieuwe richtlijnen uitgebracht wat betreft het vaccinatieschema. Wij gaan honden en katten daarom voortaan op 6 maanden vaccineren in plaats van op 1 jaar leeftijd. De vaccinatie op 1 jaar leeftijd komt dus te vervallen.
Hoe zit dat?
Maternale antilichamen, die via colostrum (moederlijk melk) aan de pup en kitten worden doorgegeven, zorgen voor passieve immuniteit in de eerste levensweken. Hoewel deze bescherming belangrijk is, kunnen maternale antilichamen de ontwikkeling van een eigen, actieve immuunrespons op vaccins belemmeren.
Bij de meeste pups en kittens neemt de hoeveelheid maternale antilichamen geleidelijk af tussen de 8 en 12 weken, waardoor ze in staat zijn om effectief te reageren op vaccinaties. Het doel van de herhaalde vaccinaties is dan ook niet om de immuniteit te versterken, maar om de pup en kitten zo snel mogelijk een actieve immuunrespons te laten ontwikkelen zodra de maternale antilichamen voldoende zijn afgenomen.
In de meeste gevallen zijn de maternale antilichamen tegen de 16 weken bijna volledig verdwenen, maar soms blijven ze langer aanwezig. Omdat het moeilijk is te voorspellen wanneer precies een pup/kitten in staat is om effectief te reageren op vaccinatie, staat de beste leeftijd voor vaccinatie nog steeds ter discussie.
Als een pup of kitten niet voldoende op de vaccinatie heeft gereageerd, kan er een “immuniteitsgat” ontstaan tot de volgende vaccinatie. Om dit gat te verkleinen, wordt nu aangeraden om het vaccinatiemoment te vervroegen naar 6 maanden. Dit kan de immuniteit bij jonge dieren verbeteren zonder dat een extra vaccinatie nodig is.